Hippocrates, Wilder, Banting, Atkins en Charlie Abrahams komen in elk historisch overzicht voorbij. De getallen achter die verhalen bijna nooit, en juist die maken het verhaal interessanter.
In het kort
- Het ketogeen dieet bestaat sinds 1921, toen Russell Wilder van de Mayo Clinic een dieet samenstelde dat het effect van vasten op epilepsie moest nabootsen, en hij gaf het meteen de naam die het nu nog heeft.
- Het werkt aantoonbaar bij kinderen met therapieresistente epilepsie, waar ongeveer een op de drie het aantal aanvallen halveert.
- Wat jij thuis keto noemt is niet het klassieke therapeutische dieet met een vetverhouding van vier op een.
De geschiedenis van het ketogeen dieet wordt overal ongeveer hetzelfde verteld. Hippocrates liet epileptici vasten, dokter Wilder bedacht in 1921 het dieet, Atkins maakte er in 1972 een afslankdieet van, een jongetje genaamd Charlie werd beter en Meryl Streep speelde zijn moeder. Dat klopt grotendeels. Wat er in die versie altijd ontbreekt zijn de getallen, en die vertellen een scherper verhaal: over claims die niet standhielden, over een dieet dat decennia vrijwel verdween terwijl het werkte, en over hoe lang het duurde voordat iemand het fatsoenlijk testte.
Vasten als behandeling, en wat Hippocrates wel en niet schreef
In het ‘hippocratisch corpus’ staat een casus van een man die na een bad bij het vuur stuiptrekkingen kreeg en bij wie de aanvallen stopten nadat hij zes dagen alles liet staan, eten zowel als drinken. Het staat niet in het geschrift ‘Over de heilige ziekte’, dat juist over epilepsie gaat, maar in een casusreeks, en het is een beschrijving van een geval en geen behandeladvies. De exacte vindplaats is in de literatuur omstreden.
Het eerste moderne verslag komt uit Parijs, 1911. Guelpa en Marie behandelden 21 patiënten met vier dagen lang 30 gram natriumsulfaat per dag als laxeermiddel, onbeperkt drinken en geen voedsel, gevolgd door een vegetarisch dieet op de helft van de normale inname. De uitkomst is zelden geciteerd: 15 van de 21 hielden zich er niet aan, 2 verbeterden tijdelijk en stopten, en 4 verbeterden.
In de Verenigde Staten was het Bernarr Macfadden die vasten populair maakte. Hij had geen medische opleiding, gaf het tijdschrift Physical Culture uit met tegen het eind van de Eerste Wereldoorlog een oplage van 500.000, en claimde dat vasten van drie dagen tot drie weken vrijwel elke ziekte kon genezen. Zijn volgeling Hugh Conklin, osteopaat in Battle Creek, liet kinderen met epilepsie 18 tot 25 dagen op water leven. Hij claimde 90 procent genezing onder de tien jaar, 80 procent tussen tien en vijftien, 65 procent tussen vijftien en vijfentwintig. Neuroloog William Lennox nam 127 van Conklins casusbeschrijvingen door en kwam uit op 20 procent aanvalsvrij en 50 procent enige verbetering.
Hetzelfde patroon zie je bij internist Rawle Geyelin, die Conklins aanpak in 1921 op het congres van de American Medical Association presenteerde: 30 patiënten, 87 procent aanvalsvrij na twintig dagen vasten, zonder enige follow-up. Jaren later rapporteerde hij aan Lennox hoe het werkelijk was afgelopen. Van 79 kinderen bleven er 15 aanvalsvrij, 19 procent. Van 200 volwassenen bleef er één aanvalsvrij.
1921: waarom het ketogeen dieet werd uitgevonden
Vasten werkte, alleen kun je niet blijven vasten. Dat is het probleem waar Russell Wilder van de Mayo Clinic in 1921 een antwoord op zocht. Hij publiceerde dat jaar twee korte stukken. In het eerste legt hij het effect van vasten bij epilepsie bij de ketonemie, het verhoogde ketongehalte in het bloed. In het tweede stelt hij voor dat je datzelfde ketongehalte kunt bereiken met een dieet dat zeer rijk is aan vet en zeer arm aan koolhydraten, en beschrijft hij het beloop bij drie patiënten. Hij noemde het een ketogenic diet, en dat is de term die bleef.
De biochemie eronder kwam uit Chicago. Rollin Woodyatt beschreef in hetzelfde jaar dat aceton en beta-hydroxyboterzuur bij gezonde mensen ontstaan door ofwel uithongering ofwel een dieet met een te hoge verhouding vet ten opzichte van koolhydraten. Hij deed geen epilepsieonderzoek maar leverde de rekenregel waarop Wilder voortbouwde. Mynie Peterman van de Mayo Clinic maakte er vervolgens een praktisch voorschrift van: een gram eiwit per kilo lichaamsgewicht, tien tot vijftien gram koolhydraten per dag, de rest van de calorieën uit vet. Zijn serie uit 1925 telde 37 patiënten, van wie 60 procent aanvalsvrij werd, 34,5 procent verbeterde en 5,5 procent niet. In de jaren twintig verschenen negen artikelen over het dieet, samen over ruim 400 patiënten.
Wat er tussen 1938 en 1990 gebeurde
Het gangbare verhaal is dat de komst van anti-epileptica het dieet wegvaagde. Dat klopt half. Fenobarbital bestond al sinds 1912, dus het dieet is niet uitgevonden in een tijd zonder medicijnen. Wat er wel gebeurde is dat Houston Merritt en Tracy Putnam in april 1936 een lijst stoffen kregen van Parke, Davis and Company, met fenytoïne bovenaan. Eind 1936 toonden ze bij dieren aan dat het aanvallen onderdrukte, in 1937 bij mensen, en in 1938 kwam Dilantin op de markt. De aandacht verschoof. Lennox schreef in 1960 dat de belangstelling voor vasten en het ketogeen dieet vrijwel verdwenen was.
Vrijwel maar niet helemaal. Samuel Livingston van Johns Hopkins publiceerde in 1972 over 1.001 patiënten die hij met het dieet had behandeld: 52 procent volledige aanvalscontrole, 27 procent duidelijke verbetering, 21 procent geen verbetering. Dat cohort is opgebouwd in precies de decennia waarvan iedereen zegt dat er niets gebeurde.
Hersenen zijn niet afhankelijk van glucose
In diezelfde periode werd ook uitgezocht waarom het eigenlijk werkt. Oliver Owen en collega’s uit de groep van George Cahill publiceerden in 1967 in het Journal of Clinical Investigation een studie bij drie mensen met obesitas die vijf tot zes weken volledig vastten. Door bloed voor en na de hersenen te meten konden ze zien welke brandstof het brein opnam. Beta-hydroxyboterzuur en acetoacetaat vervingen glucose als belangrijkste brandstof. Tot dat moment gold als vaststaand dat de hersenen alleen op glucose draaien.
Het MCT-dieet
Praktische varianten kwamen daarna. Peter Huttenlocher introduceerde in 1971 het MCT-dieet, waarbij middellangeketenvetten de ketose doen, zodat er meer koolhydraten en eiwit in het dieet passen. Bij 6 van de 12 kinderen gaf het een relevant effect. Het raakte weer uit de gratie door krampen, diarree en braken. In 2003 beschreef Eric Kossoff van Johns Hopkins het modified Atkins diet, en in 2006 een prospectieve studie met 20 kinderen op tien gram koolhydraten per dag: na zes maanden had 65 procent meer dan de helft minder aanvallen en 35 procent meer dan 90 procent minder. Het grote verschil met het klassieke dieet is dat er geen opname, geen vastenstart en geen weeg- en rekenwerk bij hoort.
Charlie Abrahams, en de eerste trial 87 jaar na Wilder
Charlie Abrahams kreeg in 1993 zijn eerste aanvallen, elf maanden oud. Hij werd behandeld bij Johns Hopkins, begeleid door diëtiste Millicent Kelly, en was volgens de Charlie Foundation binnen een maand aanvals- en medicatievrij en bleef vijf jaar op het dieet. Die stichting is partij in het verhaal, dus dat cijfer komt niet van een onafhankelijke bron. Op 26 oktober 1994 besteedde het NBC-programma Dateline er aandacht aan. Charlies vader Jim Abrahams richtte dat jaar de Charlie Foundation op, die meer dan 50.000 videobanden verspreidde, en regisseerde de televisiefilm First Do No Harm, uitgezonden op 16 februari 1997 met Meryl Streep in de hoofdrol. Millicent Kelly speelde daarin zichzelf.
Het eerste serieuze cijfermateriaal kwam in 1998 van John Freeman, ook Johns Hopkins, bij 150 opeenvolgende kinderen met gemiddeld 410 aanvallen per maand ondanks gemiddeld 6,2 eerder geprobeerde medicijnen. Na een jaar zat 55 procent nog op het dieet en had 27 procent meer dan 90 procent minder aanvallen. Bijna de helft was dus binnen een jaar gestopt, en dat is een even belangrijk getal als het effect.
De eerste gerandomiseerde trial verscheen in 2008, 87 jaar na Wilder. Elizabeth Neal en collega’s loot 145 kinderen van 2 tot 16 jaar in Lancet Neurology in twee groepen: direct het dieet, of pas na drie maanden. Na die drie maanden lag het aantal aanvallen in de dieetgroep op gemiddeld 62,0 procent van de uitgangswaarde en in de controlegroep op 136,9 procent, een verschil van 75 procent met een betrouwbaarheidsinterval van 42,4 tot 107,4 en p kleiner dan 0,0001. Van de dieetgroep had 38 procent meer dan de helft minder aanvallen tegen 6 procent in de controlegroep. Voor de zwaarste uitkomst, meer dan 90 procent reductie, was het 7 procent tegen 0 procent, en dat verschil was met p is 0,0582 net niet significant. De trial was niet geblindeerd, wat bij een dieet ook nauwelijks kan.
De Cochrane-review uit 2020 bundelde 13 studies met 932 deelnemers. Bij kinderen was de kans op aanvalsvrijheid ruim drie keer zo groot als bij gebruikelijke zorg en de kans op halvering van het aantal aanvallen bijna zes keer zo groot, maar alle uitkomsten kregen het label lage tot zeer lage zekerheid. Bij volwassenen werd geen enkele deelnemer aanvalsvrij. Een systematische review uit 2026 komt op het meest bruikbare getal tot nu toe: ongeveer 37 procent van de kinderen met therapieresistente epilepsie bereikt met een ketogene dieettherapie een halvering van het aantal aanvallen.
De tweede geschiedenis van koolhydraatbeperking, die om af te vallen, begint bijna zestig jaar eerder dan de epilepsielijn en loopt er lang volledig los van. De twee hebben elkaar pas in de jaren zeventig gevonden, toen Atkins het woord ketose bij een algemeen publiek bracht.
Banting, 1863: zestien kilo en een nieuw werkwoord
William Banting was een gepensioneerde begrafenisondernemer uit Londen. In 1862 woog hij op zijn 64e bij een lengte van 1,65 meter ongeveer 92 kilo. Hij kwam bij chirurg William Harvey terecht vanwege zijn doofheid, niet vanwege zijn gewicht. Harvey zette hem op vlees, vis, fruit en niet-zetmeelrijke groenten en schrapte brood, boter, melk, suiker, bier en aardappelen. Een paar glazen claret, sherry of madeira mochten blijven.
Banting verloor zestien kilo in 38 weken, ongeveer een pond per week, en zijn gehoor verbeterde. Zijn Letter on Corpulence uit 1863 gaf hij de eerste twee drukken gratis weg en de derde verkocht hij tegen kostprijs voor zes pence. Het boekje is nog steeds in druk. In het Engels werd to bant het gewone werkwoord voor lijnen, lang voordat iemand het woord keto gebruikte.
Atkins in 1972, en de kritiek die er meteen op kwam
Robert Atkins publiceerde in 1972 Dr. Atkins’ Diet Revolution en bracht koolhydraatbeperking daarmee bij een enorm publiek. Wat zelden wordt verteld is wat er een jaar later gebeurde. De raad voor voeding van de American Medical Association publiceerde in 1973 in JAMA een officiele kritiek op het boek, waarin werd vastgesteld dat de koolhydraatarme aanpak neither new nor innovative was en meer dan een eeuw teruggaat op het dieet van diezelfde William Harvey.
Dat oordeel is van twee kanten te lezen. De AMA had gelijk dat Atkins niets nieuws bracht, en tegelijk was dat precies het zwakke punt van hun eigen kritiek: een aanpak die al honderd jaar werd gebruikt was kennelijk nooit fatsoenlijk onderzocht. Het serieuze onderzoek naar koolhydraatbeperking kwam pas daarna op gang.
Hoe keto een woord werd dat iedereen kent
Het omslagpunt is goed te dateren. In de Amerikaanse Google-jaaroverzichten van 2018 waren vijf van de tien meest gezochte voedingstermen keto-termen, van keto pancakes tot keto brownies. In datzelfde jaar verscheen de studie die het dieet ook medisch serieus op de kaart zette.
Virta Health volgde 262 volwassenen met diabetes type 2 een jaar lang op voedingsketose met begeleiding op afstand. De HbA1c daalde van 7,6 naar 6,3 procent, het gewicht met 13,8 kilo, en het gebruik van diabetesmedicatie anders dan metformine ging van 56,9 naar 29,7 procent. Bij 94 procent van de insulinegebruikers kon de insuline worden verlaagd of gestopt. Na twee jaar was bij 53,5 procent de diabetes omgekeerd en bij 17,6 procent in remissie. Het is geen gerandomiseerde trial maar een open studie met een controlegroep die gewone zorg kreeg, en de onderzoekers werkten bij het bedrijf dat de behandeling aanbiedt. Dat staat in het artikel zelf vermeld.
Inmiddels is het onderzoek naar het ketogeen dieet booming. Wereldwijd neemt het onderzoek toe. Ook in Nederland wordt er onderzoek gedaan naar het effect van het ketogeen dieet op bijvoorbeeld ADHD en autisme.
Bron: Belangrijkste bronnen: Hoehn S, Dozieres-Puyravel B, Auvin S. Epilepsy Behav 2019;94:277-280, https://doi.org/10.1016/j.yebeh.2019.03.018 en Epilepsy Behav 2019;101:106588, https://doi.org/10.1016/j.yebeh.2019.106588. Wheless JW. History and Origin of the Ketogenic Diet, in: Epilepsy and the Ketogenic Diet, Humana Press 2004. Owen OE e.a. J Clin Invest 1967;46:1589-1595, https://doi.org/10.1172/JCI105650. Huttenlocher PR e.a. Neurology 1971;21:1097-1103, https://doi.org/10.1212/wnl.21.11.1097. Kossoff EH e.a. Epilepsia 2006;47:421-424, https://doi.org/10.1111/j.1528-1167.2006.00438.x. Freeman JM e.a. Pediatrics 1998;102:1358-1363, https://doi.org/10.1542/peds.102.6.1358. Neal EG e.a. Lancet Neurol 2008;7:500-506, https://doi.org/10.1016/S1474-4422(08)70092-9. Martin-McGill KJ e.a. Cochrane Database Syst Rev 2020;6:CD001903, https://doi.org/10.1002/14651858.CD001903.pub5. Vaccarezza MM e.a. PLoS One 2026;21:e0333334, https://doi.org/10.1371/journal.pone.0333334. Voor de koolhydraatarme lijn: Royal College of Surgeons of England, Do you Bant?, https://www.rcseng.ac.uk/library-and-publications/library/blog/do-you-bant/. Council on Foods and Nutrition AMA. JAMA 1973;224:1415-1419, https://doi.org/10.1001/jama.1973.03220240055018. Hallberg SJ e.a. Diabetes Ther 2018;9:583-612, https://doi.org/10.1007/s13300-018-0373-9. Athinarayanan SJ e.a. Front Endocrinol 2019;10:348, https://doi.org/10.3389/fendo.2019.00348. Google Year in Search 2018. Artikelen opgezocht via PubMed.